In het slepende onderzoek tegen Mink K. inzake de bomaanslag op Jaap van de Heiden kenmerken de verhoudingen tussen verdediging en Openbaar Ministerie zich door stekeligheden. Het laatste jaar gaat het van kwaad tot erger. De verdediging meent dat officier van justitie Saskia de Vries voortdurend dingen achterhoudt. Zo wist ze dat Peter D. - de kroongetuige tegen Mink K. - had gesproken over corruptie van Fred Teeven en seksfeesten van andere leden van het OM. Ze voegde die verklaringen aanvankelijk niet aan het dossier toe waardoor niemand ervan wist. Zíj vond de verklaringen niet relevant maar toen het bestaan van die verklaringen later toch uitlekte vond de rechtbank ze wél relevant. De Vries wist ook dat Peter D. in 2000 een bepaalde verklaring had afgelegd maar voegde die pas na herhaaldelijk aandringen van de verdediging en de rechtbank toe aan het dossier. Ook hier pas nadat bij toeval bleek dat dit stuk er was, anders was deze verklaring voor de rechtbank misschien geheim gebeleven. Nieuwe stukken komen soms pas enkele dagen voor de zitting bij de verdediging aan, soms vier weken later dan aangekondigd. Dat komt dan volgens De Vries bijvoorbeeld doordat een bepaalde politieman “enige weken niet beschikbaar was.” De toeschouwer krijgt de indruk dat het Openbaar Ministerie in deze soms wat vertragingstechnieken toepast en niet altijd eerlijk zegt wat er allemaal aan onderzoeksmateriaal beschikbaar is.
Dat leidt dan tot narigheid in de rechtszaal.
Advocaat Nico Meijering neemt zijn toevlucht tot een metafoor uit het dierenrijk. Meijering: “het Openbaar Ministerie begint te lijken op de grootste gorilla van het bos die tegen een boom leunt en geen tegenstand meer heeft. Als een andere aap iets wil dan wordt die gewoon weggeduwd. ” Officier van justitie Saskia de Vries onderbreekt de gepikeerde woordenvloed van Meijering: “een vergelijking met een gorilla, daar maak ik toch wel bezwaar tegen.”
De dagenlange ondervraging van Peter D. maakt de irritatie van met name Meijering groter. Meijering houdt D. een verklaring van hem voor waarin D. vertelt over wat Mink K. zou hebben gezegd over Jaap van der Heiden: ‘die kankerhond moet dood.’
“Heeft U dit zo verklaard?”, vraagt Meijering.
Peter D: “dat zal wel.”
Meijering: “maar klopt het?”
Peter D: “dat moet U aan Uw cliënt vragen.”
Even later vraagt Meijering aan Peter D. over de bomaanslag:
“Heeft Mink K. dit gedaan?” D. geeft geen antwoord waarop de voorzitter ingrijpt en de getuige in bescherming neemt: “dat is wel een beetje moeilijke vraag voor de getuige”.
Enzovoort.

